Op de bus wachten in Boedapest is niet altijd een straf. Want een lekker taartje voor de neus breekt hier vanzelf de tijd.
Bussen, bussen, bussen. Gestage stromen autobussen. Op het Ferenciek tere in Boedapest stopt elke minuut een bus. Je kiest hier voor de gewone bus, de snelbus of de spitsbus. Vijf verschillende lijnen houden halt aan de zijkant van dit plein. Voorbij deze verbrede inham gaat, tussen twee paleizen ingeperst, de Kossuth Lajos utca over in de Szabad sajtó út, de razende poort naar de Erzsébetbrug over de Donau.
Schuin achter de bushalte ligt de taartjessnackbar. Zulke taartenwinkels kennen we in Nederland niet. Je zou het ook een snelbuffet kunnen noemen. Het is geen mooie zaak. Geen krullen, geen barok, geen fin-de-sičcle. Niets wat je met taart en gebak associeert. Deze taartjessnackbar hapt slechts een sober hoekje uit het eigenlijke gebouw, haar grote stenen taartenbroeder en schuimtaart op zichzelf; de Párizsi udvar. Zij neemt simpelweg genoegen met haar sober betegelde wanden en bruine panelen. Hier telt de inhoud en niet de vorm. In haar kleine etalage staan een paar feesttaarten. De houten showmodellen zijn bekleed met marsepein in felle kleuren.
Waar de Kigyó utca uitkomt op het plein ga je naar binnen. Als eerste zie je de ijsvitrines en voor de wanden rechts staan de vitrines waarin ruim twintig soorten taartjes en gebak liggen te lonken achter het glas. Tegen de wand achter deze vitrines hangen op schuin geplaatste rekken grote metalen platen. Hierop liggen de net gebakken voorraden, de strudels en de in rechte blokken of repen gesneden taart. Sandwiches en broodjes zijn er ook, maar de nadruk ligt hier toch echt op zoet. Achter de vitrines lopen in witte jassen, twee, soms drie, jonge vrouwen. Maar eerst moet je langs de al wat oudere caissičres. Zij zitten tegenover de vitrines, ook in witte jassen, achter de kassa. Hun benen onzichtbaar achter gefineerd spaanplaat met een deurtje erin zodat ze af en toe eens uit de zitbak kunnen opstaan. Of voor als ze één van hun benen uit het deurtje hangend willen strekken.
Van een afstand al, meteen als ik binnenkom, probeer ik in te schatten welke van de twee caissičres die dag de mildste blik in haar ogen heeft. Met mijn linkeroog nog richting kassa, richt mijn rechteroog zich al op de vitrines. Snel de namen van het gebak in mijn kop stampen. Ga ik voor de Túros rétes, kwarkstrudel, en een stuk Punchtorta erbij? Of misschien toch beter een Mákos Pozsonyi, een bros deeghoorntje gevuld met maanzaad. Maar dan wel met een zwaar blokje Rigó Janci erbij want ik kan zeker wat chocolade gebruiken. Nog een klein reepje Párizsi szelet voor de luxe? Wil ik geen Almapite, appelgebak? Want dat is frisser en wel zo gezond. Zal ik een aantal pogácsa bestellen, hartige korstdeegtaartjes met kaas of met kaantjes? Goed in papier verpakt, voor onderweg?
Ik draai mij om naar de cassičre met de bril op. Haar blik, hoewel door dik glas gefilterd toch altijd weer priemend, lijkt mij iets zachter deze dag. En nu proberen de gekozen woorden die bij de taartjes op de kaartjes stonden in de juiste naamval vervoegd goed zien over te dragen. De woorden 'koffie' en 'water' komen er in ieder geval netjes uit. De caissičre lijkt deze klanken dan ook sneller om te zetten in haar ferme aanslagen op de kassa. Als ik trots met de bonnetjes, voor elke soort consumptie een ander, mij terugdraai naar de vitrines begint het feest pas echt. 'Meenemen of opeten?' wordt mij door een van de jonge vrouwen toegesnauwd. Goed en snel nadenken. Werkwoord vervoegen. Bepaalde of onbepaalde naamval. Is het nu met of zonder voor- of achtervoegsel? 'Graag eten hier', zeg ik. Dat is de makkelijkste constructie. Koffiebonnetje moet ik bij de koffiemachine afgeven en voor water kan ik daar ook terecht. Heb ik nu alles, klopt het zo? Met alle waren in mijn handen, het bordje met taartjes - drie stuks, zo groot zijn de punten niet en ik wil alles proeven - een kop koffie, een glas water en mijn tas geklemd tussen de dijen waggel ik naar de zijkant. Zitplaatsen zijn hier niet, slechts smalle buffetplanken langs de grote ramen. Ik zet het bordje met de voor vandaag uitverkoren kwarkstrudel, het maanzaadhoorntje en het blokje Rigó Jancsi voor mij neer. De busreis kan beginnen.
Geen woord gemist, het laatste woord valt samen met het openklappen van de deuren van de volgende bus. Twee oude mannen leunen half zittend tegen de rand van een grote betonnen plantenbak. Ze zwijgen en kijken in zichzelf naar binnen. Ze wachten de tijd af voor een legere bus. Achter hen mokt een aantal mannen van de Balkan. In de nieuwe euro-tijden met overal een pin-automaat valt er bij toeristen voor hen niet veel meer te bedonderen.
Welke bus zal ik nemen? De 7, of de 7A, of misschien eens de 173? Waarheen rijdt die eigenlijk? Ondertussen kibbelen koffie, maanzaad, citroen en vanille pittig in mijn mond over welke smaak als laatste mag blijven hangen.

Met dank aan het Jégbüfé in Boedapest.