Agrarische vernieuwing vanuit de traditie

Dat de oprechte woede van Hongaarse boeren in maart 2005 voor burgers van Boedapest aanleiding zou geven voor een leuk uitje in de kou, hadden de boeren niet voorzien. Wekenlang gingen hele gezinnen, opa en oma er achteraan, de honderden tractoren van de ontevreden boeren bekijken. Zowel op het plein bij het parlementsgebouw als op het terrein naast het Heldenplein stonden de tractoren, in keurige rijen opgesteld, zwijgend maar indrukwekkend te wezen.

De boeren waren boos, op de EU en de landen die het beter voor elkaar hebben wat betreft de Europese landbouw. Maar vooral op de toenmalige minister van Landbouw, Imre Németh. Deze minister had ondanks toezeggingen de EU-gelden nog steeds niet uitbetaald. Aan József Gráf, die na het ontslag van Németh als nieuwe minister werd benoemd, de eer om de boze boeren met hun tractoren weer terug naar het platteland te krijgen. En om te zorgen dat EU-gelden alsnog zouden worden uitgekeerd. De herontwikkeling van de Hongaarse land- en tuinbouw gaat gepaard met groeistuipen. Veel geld, overheidsteun en investeringen zijn hierbij nodig. Bij het omvormen tot een meer op de markt gerichte bedrijfstak vallen dan ook grote klappen. Kleine boeren worden, net als in andere EU-landen, als eerste het slachtoffer. Maar ook grotere bedrijven zijn afhankelijk van EU-gelden om de omslag naar de nieuwe economie te kunnen maken. Want niet voor elk bedrijf staan buitenlandse investeerders klaar.

Gouden tijden, nieuwe tijden
Ook anno 2007 is Hongarije nog steeds een sterk op de agrarische sector gerichte natie. In de jaren van de Habsburgse Monarchie was Hongarije niet alleen de graanschuur van Midden-Europa, ook wijnbouw, bosbouw, fruit- en groenteteelt en veeteelt vormden het goud van die dagen. Toen na het Trianon in 1920, waarbij Hongarije een groot deel van haar grondgebied moest afstaan aan omringende landen, veel van de bosbouw én de winning van delfstoffen in de berggebieden wegviel, kwam de nadruk sterker op veeteelt en landbouw te liggen. Helaas zijn in de communistische jaren veel bedrijven en sectoren die juist in die tijd groot geworden zijn, kapot gemaakt. De kwaliteit, diversiteit en het imago van Hongaarse producten zijn daardoor beschadigd. Maar in weerwil van alle beperkingen en veranderingen binnen Europa is Hongarije nu weer dapper bezig aan haar agrarische come-back.

Dat is geen lichte taak. Alle landen in Europa beschermen hun eigen agrarische sectoren. En de concurrentie van landen buiten Europa is groot. Zie daar maar eens tegen op te boksen als nieuw lid van de EU. Hongarije zal zich moeten onderscheiden door unieke hoogwaardige land- en tuinbouwproducten en veeteelt. Juist die sectoren waarin veel kracht zit, moeten worden gestimuleerd. Zo kan Hongarije haar eigen nieuwe gezicht laten zien. Verbaast kijken wijnboeren uit andere wijnlanden al hoe Hongarije in snel tempo uitgroeit tot een echt wijnland. Steeds meer producten worden naar andere landen van Europa geëxporteerd. Hongaarse producten zijn beroemd om de kwaliteit en smaak. Meloenen, tomaten, paprika's, appels en ander fruit gaan naar Groot-Brittannië, Scandinavische landen en Midden- en Oost- Europese landen. Ook biologisch geteelde granen, zonnebloempitten en zelfs biologisch vlees vinden hun weg naar het buitenland. Want dat Hongarije met haar biologische landbouw een echte schat in handen heeft, dringt nu pas door. In Hongarije zelf, maar ook in het buitenland.

To Bio or not to Bio
Veel stukken land lagen tientallen jaren braak. Voor de biologische landbouw is zo de noodzakelijke schone grond ontstaan. Rudolf van Nunen, (chef-kok van het Kempinski Hotel in Boedapest) denkt daarom dat Hongarije zich zal ontwikkelen tot een van de grootse biologische landbouwlanden van Europa. Hij volgt de ontwikkelingen op de voet en gebruikt, trendsettend voor zijn branche, veel Hongaarse biologische producten in de keuken van het hotel. Daartegenover zet László Ivány van de Landbouwraad van de Nederlandse ambassade in Hongarije wel zijn vraagtekens. De kleine bio-boeren zullen het niet volhouden als ze geen beschikking hebben over veel hectaren grasland en landbouwgrond. Hij gelooft niet dat zij met idealisme en enthousiasme alleen het kunnen redden. Maar de kleine kaasboer Olivér Valiskó uit Nagyréde ziet het niet zo somber in. Met vijfentwintig geiten en samenwerking met horeca en wijnboeren in het dorp en directe omgeving, is er genoeg te verdienen. Meer dan wat hij nu bereikt heeft hoeft hij niet. Hoewel hij wel te klagen heeft over de nieuwe regels van de EU, houdt hij samen met zijn vrouw Judit Valiskó de moed erin. "Dit was onze eigen keuze, als bijdrage aan een beter gebruik van ons land", zegt Olivér. Ook Attila Péter, die ten noorden van Boedapest een middelgrote bio-farm met schapen en koeien voor zowel melk als vlees runt, denkt er zo over.
In veel Europese landen is te zien dat, ondanks dat de totale oppervlakte bestemd voor landbouw- en veeteeltbedrijven afneemt, de bio-sector juist groeit. Al maakt de bio-sector op zijn beurt slechts 0,2 % uit van het totale landbouwareaal, door grote vraag met name uit Duitsland en Oostenrijk kan de sector zich gestaag uitbreiden. Biologische honing, vleeswaren zoals salami en worst, fruit, pompoenen, pitten en granen zijn zeer gewilde producten.


Vet gezond man!
Ook voor de biologische veeteelt zijn er veel mogelijkheden. Het Mangalica varken, een typisch Hongaars krulharig ras en verwant aan het Spaanse Ibérico varken en de Szürkemarha (grijs rund) dat al ruim duizend jaar op de poesta's graast, zijn nu symbool van het hervonden agrarisch bewustzijn. Overigens komen niet alle grijze runderen en Mangalica varkens op echt biologische wijze aan hun kostje. Hoewel de controle op de voedselketen bij het Mangalica varken streng is en bijna al deze varkens het predikaat Bio mogen dragen, wordt er met het grijze rund wel wat gesjoemeld. Zelfstandig grazen op grote bloemenweiden met verse kruiden is nog geen garantie dat aan alle voorwaarden is voldaan.
Vanaf het midden van de negentiende eeuw tot aan de jaren vijftig van de twintigstige eeuw was het Mangalica varken, vooral de blonde variant (Szöke Mangalica), favoriet. Net na de Tweede Wereloorlog waren er nog ruim 30.000 van deze vette 'teddyberen' te vinden, maar in de communistische jaren zijn ze bijna uitgeroeid. Na 1989 zijn maar een paar honderd teruggevonden bij kleine boeren. De Szürkemarha runderen zijn beter in stand gehouden. Op de poesta's deden ze dienst als aanvulling op een rustiek plaatje voor toeristen die het 'echte' Hongaarse land wilde zien. Dankzij herfokprogramma's zijn de aantallen krulhaarvarkens en grijze runderen weer aan het groeien. Maar de aandacht gaat vooral uit naar dit mooie varken. Behalve dat zij zelfstandig scharrelend in bossen en op akkers voedsel zoeken, zomer en winter buiten kunnen blijven, ze resistent zijn tegen de meest voorkomende ziekten, blijkt uit onderzoek dat het witte vet van dit varken ook nog goed is voor hart en bloedvaten. Het cholesterolgehalte in de bloedvaten wordt er door hersteld en vaten worden schoongehouden. Dat moet je tegen Hongaren zeggen! Vet en toch gezond, dat is koren op hun molentje. Bij consument en in horeca wordt de vraag naar Mangalica dus groter. Nog groter is de vraag vanuit het buitenland, vooral uit Spanje. Want een groot deel van de zogenaamd typische Serrano hammen en de Pata Negra wordt nu van Mangalica varkens gemaakt. Omdat de kwaliteit uitmuntend is en in Spanje de vraag groter dan in Hongarije zelf.

Als Hongaren de agrarische en vooral de biologische sector goed gaan structureren wacht hen een goede toekomst. Maar logistiek en marketing zijn niet hun meest sterke punten. Ook laten ze luxe producten naar het buitenland verdwijnen omdat ze de waarde er niet van herkennen. Frankrijk en Italië importeren nu Hongaarse producten omdat ze goedkoper zijn, de kwaliteit goed is en omdat de vraag in die landen groot is. Wijngaardslakken gaan tegen dumprijzen naar Frankrijk om daar als 'Franse' slakken te worden ingeblikt. 'Franse' ganzenlever is vaak Hongaars en 'echte' Italiaanse porcini, (eekhoorntjesbrood) en witte en zwarte truffel gaan naar fabrieken in Umbrië, om met dezelfde kleuren van de Hongaarse nationale vlag, rood, wit en groen, op het etiket als 'Italiaans' verkocht te worden. Tijd dus voor de Hongaren om snel aan de slag te gaan, want straks zien ze de eigen producten niet meer op hun eigen tafel. Of slechts tegen hele hoge prijzen, via een omweg heringevoerd.

© TdS 2006

Bronnen:
The Hungarian Mangalica, Dr. Radnóczi László. OMNI, Hungary.
Meat quality and fatty acid composition of Mangalitsa, Holló Gabriella, University of Kaposvár.
Beschrijving van de landbouw in Hongarije, juli 2005. Landbouwraad te Wenen, Ministerie Vlaamse Gemeenschap, Administratie Land- en Tuinbouw.
Agrár Marketingcentrum, Boedapest.

Creative Commons Licentie
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing